Transmissie

De transmissie brengt het vermogen van de automotor over op de wielen. De transmissie start aan het vliegwiel en gaat via de koppeling, de versnellingsbak, de cardanas en uiteindelijk de achterasaandrijving naar de (achter)wielen.
De koppeling die zich tussen het vliegwiel en de versnellingsbak bevindt, maakt het mogelijk de aandrijvende kracht van de motor op de transmissie te onderbreken en deze vrij te maken van het koppel- of draaimoment, wanneer de tandwielen worden geschakeld. Wanneer een auto vanuit stilstand op gang moet komen of tegen een helling moet klimmen, is er een groter koppel nodig dan wanneer de wagen met een constante snelheid over een vlakke weg rijdt.
De versnellingsbak is nodig om de motor in staat te stellen te voldoen aan de grote variaties in vermogen en koppel die voor de verschillende rijomstandigheden nodig zijn. Hoe sneller de krukas in verhouding tot de wielen ronddraait, hoe meer kracht beschikbaar is om de wagen aan te drijven, maar de snelheid van de wagen neemt in dezelfde verhouding af.
De (achter)wielaandrijving bevat een differentieel, dat de wielen in staat stelt met verschillende snelheden te draaien. Wanneer de wagen een bocht maakt, moet het buitenste wiel een langere weg afleggen dan het binnenste wiel. De niet-aangedreven wielen passen zich zonder enig mechanisch hulpmiddel zelf aan deze snelheden aan. De kracht bereikt uiteindelijk de wielen via een halve as aan weerszijden van het differentieel.
Het inzicht in de werking van een auto kan men vereenvoudigen door het geheel in zes groepen auto onderdelen te splitsen. Naast de transmissie heb je ook nog de stuurinrichting, de automotor, de wielophanging, de elektrische installatie en de remmen.

